|
Noem me bij mijn ware namen |
|
|
|
|
Zeg niet dat ik morgen ga als zelfs vandaag nog komen moet. Kijk naar me: elke seconde verschijn ik hier om een knop aan een lentetak te zijn, een vogel met nog tere vleugels die in mijn nieuwe nest leert zingen, om een rups te zijn in het hart van een bloem, een juweel omgeven door gesteente.
Altijd nog kom ik om te lachen en te huilen, te vrezen en te hopen. Het ritme van mijn hart is het komen en gaan van al wat leeft.
Ik ben de eendagsvlieg die van gedaante wisselt op het water van de rivier. En ik ben de vogel die een duikvlucht maakt om de vlieg te verorberen.
Ik ben de kikker die vrolijk zwemt in het heldere water van een vijver. En ik ben de ringslang die stilletjes zich voedt met de kikker.
Ik ben het kind in Oeganda, vel over been, mijn benen als dunne bamboe. En ik ben de wapenkoopman, die dodelijk wapentuig aan Oeganda verkoopt.
Ik ben het meisje van twaalf, een bootvluchteling die zich in zee stort na te zijn verkracht door een piraat. En ik ben de piraat, met een hart dat niet zien kan niet liefhebben kan.
Ik ben lid van het politbureau met macht in mijn handen. En ik ben de man die zijn bloedschuld aan mijn volk moet betalen dat langzaam sterft in een werkkamp.
Mijn vreugde is als de lente, zo warm dat de bloemen overal op aarde ontluiken. Mijn pijn is als een rivier van tranen, zo onmetelijk dat zij alle oceanen vult.
Noem me daarom bij mijn ware namen, alsjeblieft, zodat ik al mijn huilen en lachen tezamen hoor, zodat mijn vreugde en pijn één zijn.
Noem me bij mijn ware namen, alsjeblieft, zodat ik kan ontwaken en de deur van mijn hart open kan staan, de deur van mededogen.
|