Aldus heb ik gehoord van de Boeddha, toen hij tijdelijk verbleef in het Anathapindika Klooster in het Jeta Park in de buurt van Shravasti. In die tijd was er een monnik Arittha die voor zijn intreding werkte als gierentrainer. Hij had het verkeerde denkbeeld dat volgens de leringen van de Boeddha zinnelijke genoegens geen belemmering vormen voor de beoefening. Veel monniken hoorden dit en zochten de monnik Arittha op om hem te vragen: “Broeder Arittha, is het waar dat je gelooft dat de Boeddha ons leert dat zinnelijke genoegens geen belemmering vormen voor de beoefening?”
De monnik Arittha antwoordde hierop: “Mijn beste vrienden, zo is het. Ik denk dat de Boeddha zinnelijke genoegens geen belemmering vindt voor de beoefening.”
De monniken zeiden: “Broeder Arittha, je stelt de leer van de Boeddha in een verkeerd daglicht en belastert hem zelfs. De Heer heeft nooit gezegd dat zinnelijk genoegens geen belemmering voor de beoefening vormen. Sterker nog, hij heeft ons veel voorbeelden gegeven om aan te tonen dat zinnelijke genoegens wel een belemmering voor de beoefening vormen. Broeder Arittha, geef dit verkeerde denkbeeld op.” Ondanks de raadgevingen van de monniken, was de monnik Arittha niet bereid om zijn zienswijze op te geven. Drie keer vroegen ze hem om zijn verkeerde denkbeelden op te geven, en drie keer weigerde hij, bleef zeggen dat hij gelijk had en de anderen het verkeerd hadden.
Na deze vergeefse pogingen stonden de monniken op en gingen weg. Zij gingen naar de Boeddha en brachten verslag uit van alles wat ze gezien en gehoord hadden.
De Boeddha ontbood Arittha, berispte hem en onderwees al zijn monniken, “Monniken, het is belangrijk mijn leringen grondig te begrijpen voordat je ze uitdraagt of in de praktijk brengt. Als je de betekenis van een lering die ik onderwijs niet hebt begrepen, vraag mij er dan over, of een van de oudere broeders in de Dharma of een van de anderen die voortreffelijk zijn in de beoefening. Er zijn altijd wel mensen die de letter of de geest van een lering niet begrijpen en er in feite hem zelfs op een tegenovergestelde wijze uitleggen. Of de leringen nu zijn gegeven in de vorm van een gedicht of in de vorm van proza, voorspellingen, samenvattingen in de vorm van verzen, van onafhankelijke origine, vergelijkingen, spontane uitlatingen, citaten, verhalen over eerdere geboorten, wonderbaarlijke verschijnselen, gedetailleerde commentaren, of verklaringen met definities. Er zijn altijd wel mensen die alleen studeren om hun eigen nieuwsgierigheid te bevredigen of om argumenten te vinden, en niet voor de zaak van de bevrijding. Met zo’n motivatie missen ze de werkelijke geest van de lering. Ze zullen veel moeilijkheden doormaken, zware omstandigheden ervaren die weinig voordeel brengen, en zichzelf zelfs compleet uitputten.
“Monniken, iemand die op zo’n wijze studeert kunnen we vergelijken met een man die een giftige slang probeert te vangen in het wild. Als hij zijn hand uitsteekt naar de slang, kan hij gebeten worden in zijn hand, been of ander deel van zijn lichaam. Een slang op deze wijze proberen te vangen heeft geen nut en kan alleen maar tot ellende leiden.
“Monniken, hetzelfde geldt voor mensen die mijn leringen verkeerd begrijpen. Als je de Dharma niet op de juiste wijze beoefent kan je hem zelfs compleet tegenovergesteld begrijpen als wat werd bedoeld. Maar als je verstandig oefent, zal je zowel de letter als de geest van de leringen begrijpen en in staat zijn ze correct uit te leggen. Je oefent niet om met je kennis te pronken of met anderen te redetwisten. Je oefent om jezelf te bevrijden. En als je dat doet, zul je weinig pijn of uitputting ervaren.
“Monniken, een verstandige leerling van de Dharma is als een man die een gevorkte stok gebruikt voor het vangen van een slang. Als hij een giftige slang in het wild ziet, dan drukt hij de gevorkte stok net onder de slangenkop en pakt met zijn hand de nek van de slang beet. Zelfs als de slang zich om zijn hand, been of een ander lichaamsdeel windt, dan zal hij niet gebeten worden. Dit is de beste manier om een slang te vangen en leidt niet tot pijn of uitputting.
“Monniken, een zoon of dochter van goede komaf die de Dharma bestudeert, moet al zijn of haar bekwaamheden aanwenden om de letter en de geest van de ware Dharma te doorgronden. Hij of zij studeert niet met het doel om zich beter voor te doen, te debatteren of te redetwisten, maar alleen om zichzelf te bevrijden. Op deze manier studeren, met verstand, betekent weinig pijn of uitputting ervaren.
“Monniken, ik heb jullie vaak uitgelegd hoe belangrijk het is te weten wat het juiste moment is om een vlot los te laten en er niet nutteloos aan vast te klampen. Stel je voor dat een bergbeek buiten zijn oevers treedt en een vloedstroom wordt met brokstukken erin, dan vraagt een man of vrouw die hem wil oversteken zich af ‘Wat is de veiligste manier om deze vloedstroom over te steken?’ De situatie in zich opnemend, kan ze besluiten riet en takken te verzamelen, een vlot te bouwen, en dit te gebruiken om aan de overkant te komen. Maar eenmaal aan de overkant gearriveerd, denkt zij, ‘Ik heb een heleboel tijd en energie gestoken in het bouwen van dit vlot. Het is een kostbaar bezit en ik zal het met me meedragen als ik mijn reis vervolg. Als zij het vlot op haar schouders of haar hoofd zet en het met zich meedraagt over het land, monniken, denken jullie dat dit een verstandige daad is?”
De monniken antwoordden: “Nee, Alom-Geëerde.”
De Boeddha zei: “Hoe zou ze verstandiger hebben kunnen handelen? Zij had ook kunnen bedenken: “Dit vlot heeft mij geholpen het water veilig over te steken. Nu zal ik het aan de waterkant achterlaten zodat iemand anders het op dezelfde wijze kan gebruiken.” Monniken, is dit niet een verstandiger daad?”
De monniken antwoordden: “Ja, Alom-Geëerde.”
De Boeddha zei: “Ik heb deze lering over het vlot vaak gegeven om jullie eraan te herinneren hoe noodzakelijk het is alle ware leringen los te laten, laat staan leringen die niet waar zijn.”
+++++
“Monniken, er zijn zes grondslagen voor zienswijzen. Dit houdt in dat er zes grondslagen zijn voor verkeerde waarnemingen die we moeten laten vallen. Wat zijn deze zes grondslagen?
“Allereerst is er de vorm. Of hij nu hoort bij het verleden, heden of de toekomst, of het onze eigen of andermans vorm is, of hij fijn of grof is, mooi of lelijk, dichtbij of ver weg, deze vorm is niet van mij, is niet mij en is niet het zelf. Monniken, leer diepgaand te kijken om de waarheid over de vorm te kunnen zien.
“Ten tweede zijn er de gevoelens.
“Ten derde zijn er de waarnemingen.
“Ten vierde zijn er de mentale formaties. Of deze verschijnselen nu horen bij het verleden, heden of de toekomst, van onszelf zijn of van iemand anders, of ze fijn of grof zijn, mooi of lelijk, dichtbij of ver weg, deze verschijnselen zijn niet van mij, zijn niet mij en zijn niet het zelf.
“Ten vijfde is er het bewustzijn. Wat we ook zien, horen, waarnemen, weten, begrijpen, beschouwen en overdenken in het heden of in een andere tijd is niet van ons, is niet ons en is niet het zelf.
“Tenslotte is er de wereld. Sommige mensen denken: “De wereld is het zelf. Het zelf is de wereld. De wereld ben ik. Ik zal blijven bestaan zonder te veranderen, zelfs na mijn dood. Ik ben eeuwig. Ik zal nooit vergaan.” Mediteer alsjeblieft om in te zien dat de wereld niet van mij is, niet mij is en niet het zelf is. Kijk alsjeblieft goed om de waarheid over de wereld te zien.”
++++++
Na dit gehoord te hebben stond een monnik op, ontblootte zijn rechter schouder, vouwde eerbiedig zijn handen samen en vroeg de Boeddha: “Alom-Geëerde, kunnen angst en ongerustheid ontstaan vanuit een innerlijke bron?”
De Boeddha antwoordde: “Ja, angst en ongerustheid kunnen vanuit een innerlijke bron ontstaan. Als je denkt: “Dingen die niet bestonden in het verleden zijn tot stand gekomen, maar bestaan nu niet meer’, voel je je verdrietig of in de war of wanhopig. Dat is hoe angst en ongerustheid kunnen ontstaan vanuit een innerlijke bron.”
Dezelfde monnik vroeg vervolgens: “Alom-Geëerde, kunnen we voorkomen dat angst en ongerustheid ontstaan vanuit een innerlijke bron?”
De Boeddha antwoordde: “Ja, we kunnen voorkomen dat angst en ongerustheid ontstaan vanuit een innerlijke bron. Als je niet denkt: ‘Dingen die niet bestonden in het verleden, zijn tot stand gekomen, maar bestaan nu niet meer’, voel je je niet verdrietig of in de war of wanhopig. Dat is hoe we kunnen voorkomen dat angst en ongerustheid ontstaan vanuit een innerlijke bron.”
De monnik vroeg: “Alom-geëerde, kunnen angst en ongerustheid ontstaan vanuit een uitwendige bron?”
De Boeddha onderwees: “Ja, angst en ongerustheid kunnen ontstaan uit een uitwendige bron. Stel dat je denkt: ‘Dit is een zelf. Dit is de wereld. Dit is mijzelf. Ik zal altijd blijven bestaan.’ Vervolgens ontmoet je de Boeddha of een leerling van de Boeddha die het inzicht en verstand heeft is om je te onderwijzen dat je al je opvattingen op moet geven over vasthouden aan het lichaam, het zelf, en de objecten van het zelf met een opvatting over het loslaten van eigenwaan, interne knopen (samyojana) en energielekken en als je denkt: ‘Dit is het einde van de wereld. Ik moet alles opgeven. Ik ben niet de wereld. Ik ben niet mijzelf. Ik ben niet een zelf. Ik kan niet voor altijd blijven bestaan. Na mijn dood ben ik volledig uitgewist. Er is niets meer om naar uit te kijken, om verheugd over te zijn, of om te onthouden,’ zul je verdrietig zijn en in de war en wanhopig. Dit is hoe angst en ongerustheid kunnen ontstaan vanuit een uitwendige bron.”
++++++
De Boeddha vroeg: “Monniken, zien jullie de Vijf Samenstellingen en het zelf als blijvend, onveranderlijk en onverwoestbaar?”
“Nee, eerwaarde leraar.”
“Bestaat er iets waar je je aan vast kunt houden met gehechtheid wat geen verontrusting, uitputting, treurnis, leed en wanhoop teweeg brengt?”
“Nee, eerwaarde leraar.”
“Bestaat er een opvatting over het zelf waar je toevlucht toe kunt nemen dat geen ongerustheid, uitputting, verdriet, leed en wanhoop teweeg brengt?”
“Nee, eerwaarde leraar.”
“Heel goed, monniken! Wanneer je een opvatting hebt over het zelf, is er een opvatting over wat hoort bij het zelf. Als je geen opvatting over het zelf hebt, dan heb je ook geen opvatting over wat hoort bij het zelf. Het zelf en wat bij het zelf hoort zijn twee opvattingen die gebaseerd zijn op het grijpen van dingen die niet grijpbaar zijn en het vestigen van dingen die niet gevestigd kunnen worden. Zulke onjuiste waarnemingen zullen ons verstrikken in interne knopen. Deze interne knopen verrijzen uit opvattingen die niet gegrepen noch gevestigd kunnen worden en geen basis in de werkelijkheid hebben. Zien jullie dat dit onjuiste waarnemingen zijn? Zien jullie de gevolgen van zulke onjuiste waarnemingen in het geval van monnik Arittha?”
++++++
De Boeddha ging verder: “Als een monnik de zes grondslagen beschouwt waarop verkeerde zienswijzen gebaseerd kunnen zijn, en er komen geen ideeën in hem op over ‘ik’ of ‘mijn’, dan is hij niet gevangen in de ketens van dit leven. Omdat hij niet gevangen is in de ketens van dit leven, heeft hij geen angst. Geen angst hebben betekent het Nirvana verwezenlijken. Zo’n persoon wordt niet langer geteisterd door geboorte en dood; het heilige leven is geleefd; wat gedaan moest worden is gedaan; er is geen geboorte en dood meer en hij kent de waarheid van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Zo’n monnik heeft de gracht opgevuld, is de gracht overgegaan, heeft de vijandelijke citadel verwoest, de poort ontgrendeld en is in staat direct te kijken in de spiegel van de volmaakte wijsheid.
“Monniken, dit is de Weg van de Tathagata en van degenen die bevrijding hebben bereikt. Indra, Prajapati, Brahma en de andere goden met hun hofhouding kunnen, hoe hard ze ook zoeken, geen spoor vinden van het bewustzijn van een Tathagata. De Tathagata is een verheven staat van frisheid en koelte. In deze staat is geen grote hitte en geen verdriet. Wanneer heremieten en brahmanen dit horen zeggen, belasteren ze mij en zeggen dat ik niet de waarheid spreek, dat de monnik Gautama pleit voor een theorie van nihilisme en een leer verkondigt van het absolute niet-bestaan, terwijl levende wezens feitelijk wel bestaan. Monniken, de Tathagata heeft nooit de dingen die zij zeggen onderwezen. De Tathagata leert alleen over het beëindigen van het lijden om zo de staat van geen-angst te bereiken. Als iemand de Tathagata beschuldigt, bekritiseert, belastert of slaat, dan doet hem dat niets. Hij wordt niet boos, loopt niet vol haat weg, of doet iets uit wraak. Hoe reageert hij dan? De Tagatha denkt, ‘Als iemand eer betoont, respect betuigt, geschenken aanbiedt aan een Tagahtha, dan voelt de Tagatha zich hierdoor niet gevleid. Hij denkt alleen dat iemand dit doet omdat de Tagatha de vruchten van ontwaking en transformatie heeft verwezenlijkt.
De monniken waren zeer verheugd na deze uiteenzetting van de Boeddha en ze brachten de leringen met veel genoegen in de praktijk.
Arittha Sutra, Madhyama Agama 220
Alagaddupama Sutta, Majjhima Nikaya 22
Voor de volledige tekst en commentaar, zie Thich Nhat Hanh, Thundering Silence: Sutra on Knowing the Better Way to Catch a Snake, Parallax 1993.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
| EIAB |
| Plum Village |
| Wake Up |
| Parallax Press |
| Mindful Kids |